Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL FERDINER. Ml

„ O myn Vriend!" zeide de eerfte, hem omhelzende en kusfchende, „ ik verheug my dat gy fchertfen kunt/'

„ Het is waarlyk geene fcherts!" zeide Ferdiner zeer ernftig. „ Is het niet de moeite waard om het land der Goede Hoop te zien? — Hoop! Goede

Hoop; Kent gy in het menfchelyk leeven iets

beters? Wat hebben of wat verlangen wy anders,

dan hoop? i Hoop, hoop! Een Koningryk

daarvoor, en die haar niet heeft, kan de koop voor zuivere winst houden. Dit heb ik ondervonden.

Ja, ik fta u toe; de hoop is eindelyk niets.

Dit heb ik ook ondervonden , en niemand meer, dan

ik> O! ik had dubbele hoop! —- Ik zou 'er

geen Vorftendom voor hebben willen aanneemen; zoo heerlyk! zoo zeker! — en eindelyk - niets!

Maar lucht is ook niets; en echter kan men

zonder lucht niet ademen. — Neen, de Kaap de Goede Hoop moet een heerlyk land zyn!"

„ Ten minften uit hoofde van den Kaapfchen Wyn;" zeide Eduards weder fchertfende. „ Het o-ezelfchap alleen zou my daar niet aanftaan." Ö „ Gy meent de Propheeten en Waarzeggers? — 1 Maar die zyn het juist welken ik zoek."

Eduards, die een gedeelte varf dit zeggen op zich zeiven fcheen toe te pasfen, keek Ferdiner met eene verwonderende houding aan, en zeide. „ Als ifc u welhegryp, myn waardfte Ferdiner, dan doet gy my cnregt. 't Is waar, ik propheteerde, zoo als. gy het eertyds noemdet, en het werd helaas! bewaarheid; maar ik was verre af van het te wen-

^ LI 3 S

Sluiten