Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VANJESÜS. y

der Eigenfchappen des Hoogden Wezens-met de onzen, gegrond is ? — Ook dit niet. Wij zijn in de kennis van het' wezen des onzigtbaaren Scheppers nauvdijks eenige jchreden verder dan de eerde Waereld. Alles berust ook bij den Wijsgeer op vergelijking.

Ik zal eerst van die Wijsgeeren fpreekeu, en welken zich allermeest van alles, wat ligchaamelijk is, hebben losgemaakt, en met .hun nadenken en hunne nafpooringen als 't ware, in zich zeiven verzonken zijn. Zij neemen aan: alles, wat buiten ons is, is verfchijning; wij zien de dingen, niet zoo, zoo als dezen in zich zeiven zijn, maar zoo, zoo als dezelve, naar het bijzonder geitel onzer zinnen, op ons werken. Wij weeten dus van de dingen, die buiten ons zijn, niets met volkoomene zekerheid; zelfs nauwlijks dit, dat zij y/aarlijk zijn. Een ding weeten wij : ik denk , deshalven ik ben. Maar weet ik alles, wat ik wensch te weeten? Kan ik alles doen, wat ik begeer? Ben ik niet zeer veranderlijk? Heeft mijn denken niet een begin genomen? Ik ben dus niet van mij zei ven: ik ben een wezen, dat van eenen Hoogeren zijn aanzijn heeft. Eu welk een wezen Is dit? Welke volmaaktheden bezit hetzelve? Ik denk; deshalven hij, die mij het vermogen om te denken gegeeven heeft, hij moet ook denken. Ik heb het vermogen, naar willekeur en met vrijheid, mij te bepaalen; deshalven hij, door wien ik bedaa, moet pok deze kracht, zulk eentn vrijen wil bezitten. Ik bemin het geene billiijk is , verblijd mij in het gene goed is, zoek dit, door gepaste middelen, te behouden, haat en vlied het kwaad; daar op rusten in mij die eigenfchappen, welken men wijsheid, goedheid , gerechtigheid, waarheid en trouw noemt; zulke volkoomenheA 3 de»

Sluiten