Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4- HET ONBEWOONDE EILAND.

Dees fcherpe rotfen fiert en met uw loof omvat! Gebooim', dat boven uwe armen, ryk van blad, Zoo mïldlyk uitbreid, daar ik rustloos om moet dooien! Gy, vreemde grotten! gy, met mosch begroeide holen! Voorwerpen, die my thans zo waard en dierbaar zvt! Zegt, bidde ik, zegt my, hebt gy immer, fints den tyd , Sints de overlange reeks der fnelverloopen dagen, Waarin dit eenzaam oordop uzyn'roem mogtdraagen, Zulk eene elendige gezien als ik ben ? Neen. Gy ftemde op 't tederft' met myn klagteh overeen. Gy hebt ter middernacht, toen ik in dees gevaaren Den grond bezaaide met myne uitgereten hairen, En om myn' Egaê riep, die my verliet aan 'tftrand, Vergeefs hem nagegild: tromvlooze Ferdinand ! Gy wekte de Echoos ,daarzein kluizen ftü vernachten, Tot bosch en berg, vol rouw, my antwoordde op

myn klagten. Gy zyt het, die myn' ramp in al zyn deelen weet. Zelfs word dees rots vermurwd en voelt myn harteleed,, Ontfangende ieder trek, die 't naar geval doetleezen. , Hoe ruuw nogtaus de rots, hoe ftomp deez' kling

moog' weezen, Hoe moeilyk my dit vall' door kleene ervaarenis, 'k Zie dat het gantfche werk byna voleindigd is. Welaan; men gryp' wcêr moed om verder voort te

vaaren.

(Zy treed naar de Rots.')

ö Diepgefneeden Schrift! blyf leesbaar veele jaaren! En, zo het wuft geval, door bittren tegenfpoed, Een' Nederlander ooit dit Eiland nadien doet. Stel hem op 't duidlykft' dan myn deerlyk lot voor oogen,

En wek, door deeze taal, zyn ziel tot mededogen.

Staa

Sluiten