Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jo ,- A D E L A ï B E, of de'

ontfchuldiging van Alife vinden. Hoe ongelukkig moet zij wezen, en ik zou deze gruwzame geheimen aen den dag "brengen ! ik zoude haer, die "ik zoo teeder bemind 'heb, opofferen! ik zoude mijn hoofd verileren met eene kroon, druipende van het bloed van Margista, en doorweekt van de tranen mijner Vricndinne! Dat liever alle mijne re.nen verloren gaen, danz'e door zoo veele ijsfelijkheden te herwinnen! Gij hebt mij in deze plaets gebragt, gij moet mij ook in ftaet Hellen om uit dezelve te vertrekken; mogelijk, dat het mij, een weinig later, aeukragten zoude mangelen omze te verlaten. Ik beken, en deze bekendtenis moet u niet verwonderen, ik heb Pepiu niet z.onder aendoening herzien; ik bejammerde het Hart van een' Held, dat ik regt heb van gelukkig te maken. Men zegt aen het Hof, dat hij zich over de koelheid van Alife'beklaegt; mij dunkt, dat hij mij befchuldigd. Dikwils ziet hij mij aen, met oogen, waerin de menschlievendheid te lezen is: wat fta ik dan niet al Uit; en hoe bloos ik, dat ik geloof geflagen heb aen vertellingen, die zijn' roem verdoofden, en hem zijne deugden ontrukten.

Ricomer.

Ach! Mevrouw, geef u over aen dit zoo edel als ivettig gevoelen; denk dat gij het aen den voet van 't altaer bezworen hebt. Dat het u beziele — u geleide. Bemin — en alle hinderpalen zijn uit den weg geruimd. Wat fpreekt gij van in mijne afzondering terugtekeeren? Dat daer een nutteloos grijsaerd verga; maer wacht u km 'er «we heerlijke beftemming te begraven. Gij

her-

Sluiten