Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32, De Schriftuurlijke Leer, van

gen, dat ooit de éérje Israëliet uitverkoren genoemd wordt boven den anderen, het ééne lid der Christlijke kerk boven zijne medeleden; wanneer nu dit allereenigst bewijs voor de bijzondere genade vervalt, dan moet dezelve algemeen zijn. Het is bijna wiskundig uit het geheele O. en N. T. te bewijzen, dat de Joodfche en Christlijke kerk de uitverkorenen zijn; en is dit zeker, dan kan nog zal geen redelijk mensch meer betwijfelen, of de Heer aan alle deze uitverkorenen genade ter bekering verleenen wille: dewijl de verkiezing juist daar in gelegen is, dat God, aan deze kerk en derzelver leden, boven andere volken, groote en overvloedige middelen tot waaren Godsdienst en zaligheid mededeelt.

Het tweede bewijs, 'c welk dit ftuk volkomen bellist, beftaat hierin; dat deze genade altijd in hetO. en N.T. aan de geheele kerk wordt toegekend. In het O. V. altijd aan Israël, Juda, Jacob, Zion, of welke benamingen de Profeeten ooit gebruiken, om het geheele voik uittedrukken. In het N. V. de gemeente, de geroepene, alle die den naam van den Heere Jefus aanroepen, of belijden. Het is zo dat die kerk, of hun geloof, in een zeker opzigt onzigtbaar was, ook voor het oog der Apostelen, maarzij fpreken altijd van die gemeente, zo verre zij zigtbaar en voor hun bekend was, dat zij het Christendom omhelsd en beleden hadden, daar op gedoopt waren, met de Christenen in de heilige vergaderingen en 't Avondmaal gemeenfehap hielden, en niet opentlijk van dezen Godsdienst afvielen. Aan dit geheele lighaam of maatfehappij fchrijven zij altijd den Geest en genade toe: zij zeggen tot alle die zigtbaare gemeenten, dat de Geest in haar woont en werkt. Dit ziet ieder een oogfchijnlijk, bij

het

Sluiten