Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

C 25)

ftand wel uitgebreider, vermits hy alle dingen, die het weezen ontfangen hebben, en in het heelal verfpreid zyn, bevat; maar het vermogen der bevattinge was, in de daad, minder, dan het onze, vermits wy denkbeelden, fchoon zamengefteld, kunnen fcheppen van dingen, die niet beftaan. — Dan wy willen daarop niet langer ftille ftaan. Dit bekrompen denkbeeld zou men hier eens plaats kunnen geeven. Het zal, zo aan«ftonds, blyken, dat zulks weinig onderfcheids maake.

IX. Vóór de wording der dingen ontdekken wy dan, in Gode, eene klaare, en onderfcheidene kennis van het beste: ■

van het verband, en den zamenhang, aller zaaken. Laaten wy al weer niet twisten, of die zamenhang, en dat verband gevonden, door de onverandelyke natuur der dingen, dan gemaakt zy. Dit verband, en deeze zamenhang, moeten tog in het Goddelyk verftand tegenwoordig geweest zyn, eer zy het daadelyk beftaan ontfingen: 't zy dan dat het Opperst Weezen dien zamenhang , en dat verband fchikte, en verfchikte; 't zy dezelve, van alle eeuwigheid, als zodanig verbonden, en zamenhangende, in het Goddelyk verftand tegenwoordig waren. God kent en befchouwt het beste.

Maar wat zegt deeze kennis en be-

fchouwing op zigzelve? Wy moeten

een tweede vermogen, of eene eigenfehap en hoedanigheid, in dien Eeuwigen Geest, vooronderftellen, en dat is eene neiging tot dat geen, welk zig het verftand als het

bes-

i

Sluiten