Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 8 )

Ai my! . . . waar dwaalt mijn geest in zijn befpiegelingen?

Ja! was de Heiland hiér, 'k zou door de fchaare dringen ,

Gelijk Jaïrus deed in zynen doodfchen rouw.

ö Naïn! deelden wy in *t lot der weduwvrouw'!

Hoe gaf Gods Wonderzoon, dien Vader en die Moeder,

Door Zyne almogendheid, als 's waerelds Albehoeder,

Elks afgeftorven pand uit enkle ontferming weêr;

Doch zulk een wonder werkt Gods almagt nu niet meer l

Neen , onbezonnen wensch ! neen, treurige gedachten !

Vlugt uit mijn bonzend hart, niets kan mijn fmart verzachten j

Daar reeds de donkre kuil, dezelfde graffpelonk

Dit Kind verbeidt, waar pas het ander tweetal zonk.

Vermeng nu, deel van ons ! vermeng uw flof met de asfehen

Van uwe zusjes, welke ons zilte traanenplasfen

Peên plengen op deez' zerk; op 't zelfde grafgefteent!:

Verëenig nu met hen uw dierbaar doodsgebeent'.

Rust daar, in 't zwygend flof, tot Gods bazuin u wekke5

En aan de groeve der verteering weêr onttrekke;

Rijs dan verheerlijkt op dit Goddelijk geluid:

L Staat op, ó dooden ! komt en flapt ter graven uit! " —5

I ■ < Maar,

Sluiten