is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over den brief van den H. Paulus aan de Efezeren.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over E F E Z E.N I. ifïia. 431

Jen, die waarlyk verwonderingswaardig is. Welke goedheid, welke barmhartigheid is het niet, dat deeze groote God,na de menigvuldige beledigingen dien hy van het Joodfche volk ontvangen had, hun noch tot de eerstelingen zyner genade onder het Euangelium , tot de cerltgeboorene zyner kinderen, in het huisgezin van zynen Zoon, wilde maaken, welke kwam om een nieuw gedacht op de aarde te voorfchyn te brengen? De Jooden hadden toen hunne verdorvenheid tot aan de uiterfte overmaat gebragt: zy hadden het allertaaift gedult van God moede gemaakt, door grouwelen die de maate hunner misdaaden vol gemaakt hadden : zy fcheenen alle de verdraagzaamheden des Hemels te hebben uitgeput. Zy hadden het erger gemaakt als Sodom, als Bahel, en als Egypten. Want, niet te vreede zynde van de Profeeten gedood te hebben, van gefleenigt en vermoord te hebben de geenen die tot hun ter hunner zaligheid gezonden waren (cd); zoo hadden zy hunne godloosheid en hunne woede tot zulk eene hoogte doen ftygen, dat zy zelve hunne bloeddorftige handen aan God lloegen, en hem zelve ombragten. Zy hadden de PIcere der heerlykheid gekrui fl (7'),door eenen aanflag zoo verfoeilyk,dat hy de geheele natuur deed zidderen. En na dit alles is God noch zoo goed, dat hy, veele kinderen tot de heerlykheid van zyn eeuwig Koningryk willende leiden (r), daar toe de eerflen verkieft onder dit grouwelyke volk, het welke verdiende, dat niet alleen de aarde, maar de Helle zelve, zich openfperde, om het geheelin haare afgronden

in

(d) Mattb. 23 vs. 37. (b) l CV. 2 vs. 8.

GÓ Hebr. 2 vs. 10,