Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

©ver EFEZEN I. 14. 53

het winnen door onze werken, dat wy het koopen door den prys van onze verdienden; geenszins , maar het is om dat wy het geluk hebben van kinderen te weezen, door de gunftryke en barmhartige aanneeming van onzen God, 'die ons tot kinderen aanneemende, ons daar door zyne eeuwige erffenis heeft willen mede deelen. Het

i is dan niet in de hoedanigheid van koopers, dat wy na het leven der gelukzaligen kunnen ftaan. Het is enkel in de hoedanigheid van kinderen; en bygevolge is ons recht niet gegrond op onze verdienden, maar alleen op Gods aanneeming tot kinderen, welke uit zyne loutere genade voort-

. komt. Dit was de nadrukkelyke aanmerking, welke eertyds Chryfofiomus maakte; ,, Hoe komt „ het (zeide hy) dat de Apoftel hier den hemel „ een erffenis noemt? Het is om ons te toonen, „ dat niemant het hemelfche Koningryk verkrygt

:i „ door zyne werken. Want gelyk de erffenisaf„ hangt van bet geluk, en niet van de verdien-

. „ ften, zoo is het even eens gelegen in dit ftuk;

. „ niemant (voegde hy daar by) kan een levens „ en verkeerings wyze toonen die uitmuntend ge„ noeg is om het Koningryk waardig te zyn; al„ les komt voort van de gifte Gods." Dus fprak deezen Guldenmond, die zich nimmer fterker konde uitlaaten tegen de verdienften en ten voordeele van de genade, waar aan wy ten eenemaal onze zaligheid verfchuldigt zyn. Want in der daad, waarom erft een kind van deszelfs vader ? is het om dat het welgemaakt is? is het om dat het wys, geleerd, en verftandig, of dapper en edelmoedig is ? of is het ook om dat het fchoone daaden verricht, en groote dienften aan deszelfs vader beweezen heeft? Geenszins: maar het is D 3 al-

Sluiten