Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over ÈFE2EN 11. 125. 63

welkers onfterflykheid zy verdacht en twyffelachtig hielden; noch op het lichaam, welkers opftanding hen ongelooflyk voorkwam. Zy waren dan wanhoopige ellendelingen, welkers toeftant niet dan ten hoogften te betreuren was. Want in plaats dat de Geloovigen zelve gelukkig zyn in hun leed, om dat zy zich in het midden van hunne rampen, en bekommeringen , na de taal van Paulus , vcrblyden in de hoop (a): zoo waren de Heidenen integendeel ellendig in hun grootfte welvaaren $ om dat zy geen hoop hebbende , Ook geen trooft noch vreugde hebben konden; Hunne vermaaken waren zoetigheden met veel bitter vermengt, het welk daar van de finaak bedorf, en hen overal gal deed proeven. Edoch , verwonder u niet dat zy geen hoop hadden, het konde niet anders weezen, nadien zy geen God hadden, die de bronader en den grondflag der hoop is; Want ziet hier hoe onzen Heiligen Schryver in het Hot van onzen Text- zegt: dat zy zonder God in de weereld waren.—- dit ftaat ons nu te overweegen.

II. Het woord hier in het oorfpronglyke gebezigt, is dat van Ongodiften of Godloochenaars. want deeze uitdrukking betekent eigentlyk de geenen die zonder God zyn. Edoch men moet niet d meenen dat de Heidenen Ongodiften waren , in 1 de gewoone betekenis van dit woord. En om i dit optehelderen, zal ik vier zoorten van Onv godiften onderfcheiden , die zeer veel van malkander verfchillen, en ik zal aan elk eenen byzonderen naam geeven, om ze u des te beter te doen begrypen. De eerfte zal ik noemen *

00 Rom, ia. éi. ia. ^ tf, titel. II. Stuk. g

Sluiten