Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over EFEZEN II. ia*. 69

van eene brand , of onder de onvoorziene val van een huis, dat met een ylfelyk geraas ter nederftort, of midden onder de donderllagen van een onweder dat van alle kanten uitbarft, of in eenen aanval van eene hevige ziekte, die hen dreigt in het graf te ileepen ; in alle deeze gelegenheden zullen zy niet nalaaten om hunne handen of hunne oogen hemeivvaards te heffen, of zich eenig gebed te laten ontvallen, het geen hen zal doen zien dat zy God meerder in hun harte hadden dan zy dachten. De Heidenfche oudheid heeft ook nooit melding gemaakt van meerder als drie Godloochenars, welke 'er voor uit kwamen dat zy geen God erkenden. Waar uit men kan zien dat deeze lieden wangedrochten in de natuur zyn, welke men weinig vind, om dat het zelden gebeurt dat de dingen de natuurwetten te buiten gaan. Daarenboven is 'er noch alle reden om te gelooven, dat deeze drie voorgewende Godloochenaars, deeze Protagoras , deeze Diagoras, en deeze Theodorus, eertyds zoo algemeen veracht, niet waren het geen men zeide; en dat zij van Ongodifiery befchuldigt wierden, alleen maar om dat zy den fpot ftaaken met de Goden van hunnen tyd en van hun land, welken inderdaad de befpotting van weldenkende lieden ten uiterften verdienden; even als Socrates ter dood wierd verweezen, om dat hy die gewaande Godheden van Aiheenen bcfpotlyk had gemaakt.

De tweede zoort van Qngodiflen zyn de geenen , die, het beftaan van eenen God erkennende, zyne Voorzienigheid loochenen , en willen dat hy daar boven in eenen eeuwigen ruft blyft , zonder zich met het beftier der weereld te bemoeien; dat hy alle dingen overlaat aan het bewind E 3 der

Sluiten