Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s3

LEER-REDEN

die dingen welke tot de zaligheid volftrekt noodig zyn. Maar Paulus fpreekt hier van een voorrecht, 't welk hem byzonder eigen was, en juist maar alléén zyn' perfoon betrof. De genade, zegt hy die my gegeeven is aan u. Hy verftaat dan daardoor het Apostelfchap; deeze groote en luisterryke bediening, waarmede hy was vereerd, en welke dikwils met den naam van genade benoemd word, gelyk in het ifte Hoofdft. van den Brief aan de Romeinen , alwaar onze zelfde Apostel zegt: dat hy ontvangen had genade en het Apostelfchap (a). En waarlyk, dit was eene gadelooze genade, de grootfte en [uitmuntendfte van allen, nadien zy den menfch verhief tot de hoogfle trap van volmaaktheid, waardigheid,enmagt, welke hy ooit in dit leven bereiken kan. Want wat was een Apostel anders, dan een levenden fpreekend beeld van JESUS CHRISTUS op aarde, een algemeen Herder, bekleed met al het gezag yan den grooten en opperften Herder onzer zielen, — volgens deeze zo nadrukkelyke taal, dien Hy tot zyne twaalf eerfle Discipelen voerde: Gelykerwyze my de Fader gezonden heeft, zende ik ook ulieden (0, vergelykende dus hunne zending by de Zyne; en wederom: Ik verördi- ' neere u het Koningryk, gelykerwyze myn Fader my dat verordineerd heeft Qc) vergelykende dus hun gezag by het zyne: zo dat een Apostel, met betrekking tot het onderwys der Kerk , waarlyk een tweede JESUS CHRISTUS op aarde was; een menfch, boven het menfchelyke verheven; een menfch, vervuld met de gaave der waare on-

feÜ-

O) Rom. i. vs. 5. (f) Joan. 20. vs. 21. (f) Luc. 22. vs. ip.

Sluiten