Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Redevoering over den Dooö. 453

dig is; wijl (volgens eene aanteekening in de Nederduitfche Vertaaling) bij vergisfing, onder het afdrukken derzeive, iets was agter wege geraakt, zijne betrekking hebbende bijzonder toe die brandende begeerte der ziele, om de waarheid te kennen , 'c geene dan in de Nederduitfche Vertaaling, bladz. 27, 28 en 29 wordt aangevuld. ■

Het zou zommigen, althans in den eerden opflag wat vreemd toefchijnen, dat onze Redenaar, om te betoogen dat dit leven als eene reis naar den hemel moet befchouwd worden, in welken wij alle, elk op zijnen tijd, vuuriglijk wenfehen weder ingeleid te worden, daar toe de gezegden van Anaxagoras en Socrates bijbrengt, en deeze Heidenen zamenvoegt met den Godvrugtigen Jacob; dan het geen zijn Hoog Geleerde daar mede bedoelt, is, gelijk het ons ten minsten is voorgekomen, om flegts te betoogen , dat Socrates en Anaxagoras, als dervende het helder licht der eeuwige waarheid, en den waaren God niet kennende, niet het zelfde gevoelen hadden als Jacob, zij nogthans met hun zeggen ten naasten bij dit te weeg „ brengen, dat wij van de natuur zelve fchijnen geleid te „ worden in het fpoor dier allerheuchelijkfte waarheid, ja „ zelfs geleerd worden, dat deeze aarde ons niet tot eene „ beilendige woonfteede, maar flegts tot een kortltondig verblijf gegeeven is; voorts dat dit leven, zoo als men ,, het noemt, zoo zeer,geen leven is, als wel een weg, om „ tot het waare leven te geraaken , en dienvolgens d»t „ geen, waar aan men hier den naam van dood geeft,, veel „ eer dien van eene verhuizinge uit de wereld naar, den „ hemel, dan van eenen dood verdiene, en wij derhalven „ alleen daar, en dus met geene gedagten hier op aarde, „ onze waare gelukftad te plaatzen en te vestigen hebben, „ ja dat wij de gewisfe en onbedrieglijke hoop en verwag„ ting daar van uit de onfeilbaare belofte van God zeiven „ haaien kunnen." Dat dit alleenlijk de bedoeling van den Hoogleeraar is, blijkt ook , om dat hij door zijnen verliandigen man, die geene reden heeft om den dood te vreezen, maar in tegendeel naar denzelven verlangen mag, eenen waaren Christen verftaat, die, gelijk wij bladz. 36 leezen , „ een deugdzaam leven leidt, zijnde zulk een, „ leven, dat men wel en wijsfelijk, dat is, der zonde het „ affcheid gegeeven hebbende, naar het, volmaakte voor„ beeld van Jefus Christus, en overeenkomstig zijne beve„ len en inzettingen in alle opzigten zoo aanftelt, dat het „ Gode aangenaam en welbehaaglijk zijn kan." Dus, die Hh 3 » be-.

▼ii. deel. ned. bibl. n. 9-

Sluiten