Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opheldering van Hand. III: 19-21. 21

aldus moet overgezet worden: , Hebt dan berouw , en bekeert u , ten einde uwe zonden uitgewischt , worden, op dat de tyden der verkoeling van het , aangezicht des Heeren komen mogen, en Hy zende , Jefus Christus, die u lieden te voren gepredikt , tV — Wy laten ons niet in, om de waarheid dezer overzetting te bewyzen , dit hebben voor my gedaan fommige van die geleerde Mannen, die zoo eeven in myne aanteekening met lof genoemd zyn.

§. 16. Meer moeite kost het, om aan de derde vraag te voldoen: , Welke zyn de tyden der verkoe, ling van het aangezichte des Heeren ? — De Heer is hier buiten twyffel God de Vader, de gedugte Richter van de ganfche vvaereld: want Hy wordt onderfcheiden van Jefus Christus, dien Hy zenden zoude, vs. 20. — Door het aangezicht van die Oneindige Majesteit, zoude ik hier liefst verftaan, zyne tegenwoordigheid in toorne, of zyne regtvaardigheid in verfchrikkelyke bewyzen over fnoode grouwelen zig vertoonende. In dien zin wordt Gods aangezicht genomen in het O. T. Pf. XXI: 10. XXXIV: 17. LI: 11. enz. ook in het N. T. 1 Pet. lil: 12. het laatfte lid, alwaar de woorden uit Pf. XXXIV: 17. het aangezicht des Heeren is tegen de genen die kwaad doen, worden bygebragt; vooral Openb. VI: 16, 17. zy zeiden tot de her gen en tot de fteenrotzen: valt op ons, en verbergt ons van het aan.

ge-

Inangiir. ad h. I. ; in N. Barkey, BiWioth. Hag. Cl. 3. Fasen!. 1. pag. 137-143. Zie ook J. C. WoLFJl Cisr. Phil. iirh. i.

B3

Sluiten