Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«34 Opheldering van 2 Cor. HL: 18.

iionze zalige verandering naar het beeld vanGods heerlykheid, en daarin Jigt het onreilbaarfte kenmerk of wy Gods heerlykheid nanfchouwt hebben, en in die befpiegelmg ons verluftigen. Daarheenen wil Joannes in zyn eerlten Brief, Hoofdft. 2: 3, 4. Hier aan kennen wy, dat zvy hem gekent hebben, zoo wy zyne geboden bewaren. Die daar zegt, ik kenne hem, en zyne geboden niet bewaart, aie is een leugenaar, en

in dien is de waarheid niet. Ach dat dit merk-

teeken in ons Chriftendom meer door ftraake. Dan zonde hetzelve uitzien als de dageraat, Ichoon gelyk de maan, zuiver als de zon, ichrikkelyk als flagordens met banieren. God, die gezegt he'eftdat het licht uhde duifternisle fchynen zoude, fchyne daartoe in onze harten!

HüQFDvST. IV: 3, 4,

Doch indienvok oss' Euangelium bedekt is, zot is het bedekt in de geene die verlooren gaan: 'in de welke de God deezer eeuwe de zinnen vei bit nt heeft, [namelyk'] der ongetoovige, opdat haar nieten beflrale de verlicht inge des Euangeliums der heerlykheid Chrifli, üie hel beeld Goets"is.

$■ 221. TTolgens het vry eenftemming gevoelen V van Geleerde en Regtzinmge uitleggers beantwoordt Paulus \\\tx eene tegenwerping ^elke zyne beftryders maken konden tegen zyne geroemde klaarheid van het Euangelie in deszelfs prediking, boven de bediening van Mozes, vs. 1 en 2 en Hoofdft. 3: 13. en welke daarin beftond, dat ook het Euangelie wel onaer een dek/él lag, alzoo zeer

vee

Sluiten