Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

338 Opheldering van i Tim. IV. 10.

vs. 10.

Wint hiertoe arbeiden wy ook, ende worden gefmadigt om dat wy gehoopt hebben op den leevenden God, die een behouder is aller menfchen, [maar] allermeest der geloovigen.

Waartoe zal hier een opmerkend Leezer j vragen , brengt men best het hiertoe , dat in 't begin van dit vers verfchynt? z. Hoe moet men verftaan wy worden gesmadigt om dat wy op God gehoopt hebben ? 3. Waarom heef Paulus den God zyner hoope omjehreven als den leevenden God die een Behouder is van alle menschen, allermeest van de

Geloovigen? Indien wy zoo gelukkig

mogten zyn van die vragen wel te beantwoorden , dan zouden wy het genoegen hebben van eenige nuttige opheldering aan deezen, niet zeer gemakkelyken text toe te brengen.

§. 197. Op de eer/Ie vraag zeggen wy —— Paulus had in het eeven voorgaande geleert dat dit woord, de Godzaligheid is tot alle

dingen nut, hebbende de belofte van het

toekomend LEsven , getrouw en aller aanneeming waardig was vs. 18. en 19. Laat hy nu daarop volgen, want hiertoe arbeiden wy ook , zoo komt het my eenvoudigst en best

voor

De vrymoedigheid ontzinkt my om hierop fterker aan »e dringen. r

Sluiten