Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER HONDERD EN VEERTIG. i$

ne oogen bevangen hadt, droomde ik dat ik eeuwen geilaapen had en dat ik wakker wierd (a). Ik ftond op en bevond mij ftijf, dat ik niet gewend was; mijne.handen beefden; mijne beenen knikten. Mij in mijnen fpiegel beziende kon ik naauwlijks mijn gelaat herkennen. Ik was gaan flaapen met blonde hairen, een blank vel en roode wangen. Toen ik opftondt, was mijn voorhoofd gerimpeld, mijne hairen waren grijs; ik had twee uitfteekende beenderen onder de oogen en eenen langen neus, en eene doodfche blecke kleur was over mijn gelaat verfpreid. Zoo dra ik gaan wilde, fteunde ik werktuiglijk met mijne hand op eenen ftok; maar ik had ten minsten de knorrigheid, die den grijzaarts maar al te zeer eigen is, niet overgeërfd.

Uit mijn huis gaande zag ik een openbaar plein, dat mij onbekend was. Men hadt 'er kort te vooren eene kolom in de gedaante van eene piramide opgerigt, die het oog der nieuwsgierige tot zig trok. Ik nader en lees zeer duidlijk: Hei jaat mzcs Heeren MMCCCCXL. Deeze woorden ftonden in gouden letteren in het marmer gegraveerd.

In

(a) Als onze verbeelding flegts fterk door een voorwerp getroffen is, zal het zig in den flaap aan ons vertooneu. Daar zijn verwonderlijke droomen. Deeze is, gelijk mea in het vervolg zien zal, geen van de minste.

Sluiten