is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Xo HET JAAR TWEE DUIZEND

zen, die twisten, het oog op eikanderen houden,, op eenen misgreep van hunne mededingers loeren v om hen op hun gemak uittclagchcn. Een geneesmiddel is niet meer het wonderlijk mengzel van de ftrijdigfte beginzelen. De verzwakte maag van den zieken wordt niet meer het ftrijdperk, waarin de vergiften van het Zuiden de vergiften van het Noorden koomen beftrijden. De heilzaame lappen

zugt en die zij niet op aarde vinden kan, zal in het toe,koomende bewaarheid worden.

Met deeze hoop ziet de rechtvaerdige het eind zijner loopbaan gerust naderen; de ongelukkige, welken de gebeurtenisfen en zijne gelijke vervolgen, gevoelt eenen inwendigen troost , die zijne kwellingen verligt. Maar als wij het niet aan het eind van ons leven plaatfen, welke Iteun is ons dan overig, niet alleen in tegenfpoeden, maar ook in voorfpoed? Ja, de mensch, overlaaden met de goederen, die het voorwerp onzer wenfehen zijn, is, zonder den godsdienst, indedaad te beklaagen; eiken dag verliest hij een deel van zijn geluk ; elk oogenblik doet hem het tijdflip naderen dat hij moet ophouden te beftaan en dit einde van zijnen voorfpoed, dat hij in het verfchiet zietj moet deszelfs genot vergallen.

Zegt ons dan, o Gij, die met een grooter verltand ; door oefening befchaafd, begaafd zijt, zegt ons dat ons einde, even als onze oorfprong, het allervolmaaktst Wezen, dat ons gefchapen heeft, waerdig is, en dat deeze waarheid de grond moet zijn, waarop de mensch het gebouw van ii]a geluk vestigt.