is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pr5 HET JAAR TWEE DUIZEND

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Ter dood brenging van een Misdadiger.

Het aanhoudend gebrom van eene vreeslijke zwaare klok dommelde mij eensklaps in de ooren. Die naare akelige toonen fcheenen de naamen van ramp en dood in de lugt uittegalmen. De tamboer van de ftads wagten deedt met een' traagen tred de ronde en floeg alarm, en die dooden-marsch, die

dievrienden, aan de maatfehappij ontrukt. Een blad papiers is eene onzigtbaare blikzemftraal; de orde van ballingfchap of gevangenneeming wordt in den naam des Konings uitgevaerdigd, alleenlijk voor reden geevende zijn welbehagen. Zij is met geene andere formaliteiten bekleed dan met de handtekening der ftaatsdienaaren. Intendanten, Bisfchoppen hebben risfen van lettres de cachet tot hunne befchikking; zij hebben maar den naam intevullen van hem, dien zij bederven willen; de plaats is open gelaaten. Men heeft ellendige in de gevangeuisfen oud zien worden, door hunne vervolgers vergeeten, zonder dat de Vorst ooit bericht heeft kunnen ontvangen van hunnen misdag, van hun ongeluk en van hun aanwezen. Het ware te wenfehen dat alle de Parlementen van het Koningrijk zig vereenigden tegens dat vreemde misbruik van magt, dat geen grond in onze wetten heeft. Deeze gewigtige zaak, dus gaande gemaakt, zou die der natie worden en men zou het despotjsmus zijn vreeslijkst wapentuig uit de handen wringen.