is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER HONDERD EN VEERTIG. 99

Na deezen ijslijken moord durfde de wreede zig onder ons vermengen \ maar de misdaad ftondt reeds op zijn voorhoofd gefchreven. Zoo dra wij hem zagen, merkten wij de wandaad, die hij wilde verbergen. Wij oordeelden hem reeds fchuldig, zonder dat wij nog de omftandigheden van zijne misdaad wisten. Weldra zagen wij verfchciden burgeren, die, met betraande oogen, langzaam dat bebloed lijk, dat om wraak riep, tot aan den voet van den troon der gerechtigheid droegen.

Als wij veertien jaaren oud zijn, leest men ons de wetten des lands voor. Elk is verpligt die met zijne eigen hand te fchrijven (a) en wij zweeren alle die te zullen naarkoomen. Die wetten beveelen ons dat wij het gerecht alles moeten aangeeven dat het licht kan bijzetten omtrent de inbreuken, welke de orde der maatfehappij fchenden en deeze wetten vervolgen niets dan hetgeen dezelve wezenlijk

O) Het is eene onbegrijplijke zaak dat onze gewigtigfte wetten, zoo burgerlijke als lijfftraflijke, het.grootlte gedeelte der natie onbekend zijn. Het zou zoo gemaklijk zijn haar een aanzien van majefteit te geeven; maar zij barden niet uit dan om te treilen , en nooit om den burger tot de deugd te leiden. Het heilig wetboek is in eene drooge barbaarfehe taal gefchreven en (kapt in het dof in de griffie, zoude het zoo ongepast zijn het met eene bekoorende welfpreekendheid te omkleeden en het dus voor de.menigte aangenaam te maaken.

G 2