is toegevoegd aan je favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t;ó HET JAAR TWEE DUIZEND

om cochenille en indigo te gaan haaien. Weet

g»j

IJslijke kwaaien bedroeven die trotfclie natieën en het bederf knaagt hen onder eene pragtige kleeding.

Niets is grooter dan de banden van die keten, welke twee duizend mijlen verre nieuwe rijkdommen gaat zoeken: maar hoe duur heeft men die genietingen moeten betaalen ! Eene knaagende ziekte en tot dien tijd onbekend, is den mensch koomen aanvallen op het tijdftip dat hij de onaangenaamheden des levens vergeet. De Staaten hebben eikanderen niat kunnen ontbeeren: de nijverheid eens volks is die zijnes nabuurs onderworpen geworden. Monarchijen, die eene groote magt feheenen te moeten genieten, vonden zig magtloos; de Koningen zelve, die bezield waren met de zugt tot het algemeene welzijn, zijn niet uit den kring der belastingen kunnen treeden. Het fein eener belasting heeft altoos bij zijn nabuur eene belasting doen ontftaau en ómgekeerd. Het oog der regeering kott met moeite het groot gezin overzien. De Monarchie, die haare oorfprong heeft uit het zinnebeeld van eenen vader, die zijn huishouden regeert, die goed is voor eene zekere uitgeflrektheid, is reusachtig geworden; zij heeft flegts eene houding van grootheid aangenoomen om te beter de armoede der natie te bedekken: de pragt der hoven was het pand van de afgemeene armoede: daar waren voorheen afgezonderde pro* vintieën en geen Koningrijk, daar zijn Koningrijken geweest eti geene provintieën, dat is te zeggen dat zij uitgedroogd zijn en dat hun leven ontbrooken heeft. Die ftaatkundige en iflvreetende zweeren hebben zig agter de kroonen verborgen; de regeering heeft haare zorgen niet kunnen uitft ekken, noch haar gezigt kunnen wenden op die afgelegen