is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER HONDERD EN VEERTIG. 177

gij welke onze mijnen zijn ? wat ons Peru is ? Arbeid en nijverheid. Alles wat tot gemak, tot aan-

ge-

gen deelen, die, het recht niet meer hebbende van zigzelve te bellieren, naar de ziel gewagt hebben, die hun ontbrak.

De oorlogen om den koophandel hebben tot oogmerk gehad eenen handel te vergrooten, die niet bloeijen kan dan geduurende den vrede. De kooplieden hebben, om enige fmokkclaars, de Koningen genoodzaakt alle de zeeën met bloed te verwen. Eene kanon - fchoot, in de eene waereld gedaan, brengt haare uitbarfting tot in de andere over. Plaatslijke oorlogen wierden algemeen en de hedendaagfche Vorsten hadden fomtijds het voorkoomen van zee-roovers. Op hun voorbeeld deeden de bijzondere perfoonen eikanderen den oorlog aan-, en men weet nog niet of de naam van Vrijbuiters eene bende moordenaars of een volk van helden toekwame.

De koopvaardij maakte de oorlogfchepen noodzaaklijk. Dus vonden de Vorsten de konst om den oorlog op de twee elementen te voeren, om denzelven als eenen natuurlijken ftaat te doen befchouwen en hunne magt was dubbel. De zeedienst was jaloers op de koopvaardij. Men zag eene nieuwe foort van menfehen opftaan, eene'twee* flagtige foort, zonder ouderen, zonder vrouwen, zonder vaderland, bijgeloovig en godslasterende, wreed en woest, de zeeën doorkruisfende, van het fcheurbuik ftervende en de baaren tot hun kerkhof krijgende.

Het ftaatkundig werktuig, nu eene dubbele beweeging onderworpen, wierdt meer zaamgefteld in zijne werking; de algemeene of buitenlandfche zaaken wierden van veel meer aanbelang dan de eigenlijke zaaken der natie; en de

II. Deel. M ftaat-