is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232 HET JAAR TWEE DUIZEND

zoeker, die het Opperwezen flegts verloochent, om zig tot het uitmuntendst wezen te verheffen. Hij moet alleen leeven , gelijk hij nog eens alleen zal zijn; want de hel zal beftaan in alleen te zijn — alleen ! . . dat denkbeeld doet ijzen.

LV.

Ik zag dat 'er vuur in de geesten begon te koomen voor de algemeene belangen en dat de natie haare werkzaamheid eindelijk op voorwerpen begon uitteoefenen, die haarer waerdig waren. Zoo veel te beter, riep ik uit; want het vergeeten van de beginzelen der zedenkunde en ftaatkunde brengt noodzaaklijk een Rijk tot zijnen ondergang. Dat men zoo veel men kan de natuur nadere ; zij geeft altoos gelukkiger wetten dan die, welke wij ons zeiven geeven.

LVI.

• Daar (zijn, zegt m-q n t a i g n e , vonnisfen> die misdaadiger zijn dan de misdaad. Ik was van zijn gevoelen en ik liet alle fchandelijke rechtsgedingen verbranden , omdat het niet goed was dat men de gedagtenis van zekere onrechtvaerdigheden bebaarde.

LVII.

De misdaaden, door dweepers begaan, veroor> zaaken hun geene wroegingen. Zij flaapen gerust op hunne wandaaden; hun geweten zegt hun niets; het 3s te vergeefsch dat zij de natuur gehoond hebben.

De