Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PHYSIONOMIE KUNDE. 35

de wangen gezwollen en tevens zeer opgetrokken, de neusgaaten geopend en opgehaald, vooral de lippen achterwaarts en aan de hoeken opgetrokken , en zie daar de vreugde tot eene geweldige hoogte, en met lagchen gepaard.

Wat dunkt u van 't verlangen, zo fpreekende in N°. 4.; van dien open, en al bij voorraad ontvangenden mond; van dat oog, in 't midden zo brandende van begeerte , van die wenkbraauw, meteenig geweld zelfs, zo naar den neus gebogen? en hoe werkt hier de neigende houding niet mede, om 't rijkhalzend verlangen aanteduiden?

Wat het volgend gezicht aanbelangt; hoe Haart daar niet een edel en getroffen oog op 't ongeluk eenes anderen; terwijl hier enkel ontroering en mededoogen zich mengelen! den open mond zou ik alleen wat anders begeeren; hij is rhij hier wat fterk geopend , haast zeide ik, een weinig onnatuurlijk.

In het zesde gelaat ziet gij op het duidelijkst de tekenen van de uiterfte droefheid en neerflagtigheid: — alleen is de ophaaling der wenkbraauwen hier wat te fcherp getekend; zo vindt gij 't niet in de natuur.

Nu volgen die rampzalige trekken, die de afgunst en uiterfte verachting zo fchandelijk kenmerken; ziet daar die oogen, zo geweldig naar dat voorwerp gekeerd, dat men benijdt en verfoeit; die ongunftige zich te faamtrekkende rimB 5 pe-

Sluiten