Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

410 HET CATECHIZEEREN.

tragting van Godzaligheid daartoe niet noodig was> als of onze leerlingen, tot welker onderWijzing in de gcloofsleere wij zo veel moeite doen, de kennis der zedenleere niet behoefden. Daar wij, leerende naar onze belijdenis, de menfchen telkens inprenten, dat het geloof, het welk Zaligmaakend zal zijn, zig in goede werken moet vertoonen, dat een dengdzaame en godzalige Wandel het voornaamfte merkteken is van eenen Christen , de voornaamfte vrugt van eene opregte vernieuwing des harten > verzuimen wij de menfchen te leeren, hoedanig die wandel, die het Euangelie van Christus zal waardig zijn, in onderfcheidene betrekkingen moet zijn.

Waarom, mag men wel vraagen, onderwijst men de menfchen niet ook in de zedenleer? Itpiz oogmerk van het onderwijs is, de lcerikigsri te formen tot menfchen Gods, tot Christenen^ die, door de kennis der waarheid geheiligt, als waare vrienden van Jezus doen, het geen hij in zijn Euangelie heeft geboden. Heiligmaaking, een Godzalig gemoedsbeftaan en een deugdzaam leeven is het laatfte einde van alles. Het Christendom beftaat naar onze leere niet alleen in weeten, maar ook in doen. Het z_elve vordert eene geheiligde kennis, die opleidt ter betragting. De zedenleer is derhalven niet minder gewigtig als die des geloofs. De kennis der ftellige waarheid is het middel, om het hart te formen ter betragting van dat geen, het welk door de Euangelifche zedeleer wordt ontvouwt. De zedeleer geeft ons nadere verklaaring van dat alles, tot welks beoeftening de zaligmaakende kennis der waarheid den mensch aanfpoort. En is dat niet een

aller-

Sluiten