is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooneelspelen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL, f7

Hamlet. ik ! Ik heb niets gegeeven.

Ophelia.

Ik weet zeer wel myn Prins, dat gy zulks gedaan hebt, en my boven dien nog zo veel zagte en bekoorlyke woorden gezegt hebt, waar door die zaaken nog een grooter waarde verkreegen hebben. Doch nu de gever daar van die aangenaamheid verlooren heeft, zo biede ik ze u weder aan; want voor edle zielen worden ryke gefchenken arm, zo dra den gever onhoffelyk word — zie daar, neem aan, myn Meer.

Hamlet.

Ha! ha! zyt gy deugdzaam?

Ophelia

Myn Heer —

Hamlet.

Zyt gy fehoon ?

Ophelia.

Waar toe dienen deze vraagen ?

Hamlet.

Zo gy deugdzaam en fehoon zyt, zo Iaat zig uwe deugd met uw fchoonheid niet vereenigen. Ophelia.

Kan de fchoonheid wei een beter omgang hebben , als met de deugd ?

Hamlet.

6 Ja ; want de magt der fchoonheid , zal altoos, eer zig de deugd verklaard, in een Koppelaarfter veranderen; als dat de kragt der deugd de fchoonheid met haar overéenkomftig maaken kan. Dit was eertyds een wonder; maar de tegenwoordige tyden bewyzen 'er de waarheid van. — Ik heb u

eenmaal bemind

Ophelia.

Waarlyk myn Prins, gy deedmy zulks gelooven. Hamlet.

Gy had my niet moeien gelooven. De deugd mag zig onze oude ftammen, zo goed als zy wil,

in.