Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iS REIS VAN

als een oud Jager, zeer eigen , beval hij zich zeiven te zwijgen: want hij vernam een gedruis van verfcheiden Hemmen , die hem langzaamerhand fcheenen te naderen. Hij wilde nog verder in het Hol voortfluipen , doch hij ontdekte, dat de gang , waarin hij zich bevond, niet verder liep; hij moest derhalven blijven waar hij was, en het duurde niet lang, of de menfchen , die hij had hooren fpreeken, waren reeds kort bij hem, en één van hen tastede met de uitgeftrekte hand , waarmede hij in de duisternis den weg trachtte te voelen , vrij onzacht op den deftigen buik van den Houtvester: „ Votre Maiefté pardonnes a, riep hij, mals on ne „ peut volr goute dans ce goüffre ep-oyahle" (*) „ O, zeide een ander, het is goed dat wij hem „ hier betrappen ; want 't is ijsfeüjk duister in

„ dit gat." ,,Ja, zeide een derde, het is

„ in de daad gelukkig. Kom maar hier, genadige Heer! de koets ftaat buiten voor dit gat." Twee harde fterkgelpierde handen vatteden den Houtvester aan, en trokken hem, die van verbaasdheid fpraakloos bleef, met zich voort, waaraan hij zich te gewilliger overgaf, daar hij ten minften meende verzeekerd te kunnen zijn , dat zij, die hem met zich voorttrokken, niet zijne voorige lastige Leidslieden waren. Zij waren fchielijk het Hol uit, vonden de koets voor den ingang Haan, waarin men den Houtvester doornbosch met zeer veel beleefdheid plaatste en het poortier floot , dit gedaan zijnde reed men met het rijdtuig heen.

Ik

(*) Uw Majefteit gelieft mij niet kwalijk te neemen t m:u kus in dezen grawjlijksn afgrond geen hand voor oogen zien.

Sluiten