Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedigten en Overdenkingen. - *-7

Gy kendet myn ellend; gy wist waar aan ik kwyn; Nu is de toegang tot Gods liefde u nooit geflooten.

Wie weet, hoe vaak myn weg zal in het duister zyn; Hoe verre ik foms verdwaal van myne reisgenooten.

Maar ja ! gy denkt aan my; dit merke ik dag aan dag. 'k Ontvang op uw gebed een aantal van gefchenken:

Verrukt, dat myn Vriendin by Jefus veel vermag, Blyve ik aan uw geluk,'en zyn genade denken.

Wy hebben faam geleefd voor God, en de eeuwigheid; Eikandren lang en teer bemind als Jefus leden;

Door éénen prys gekogt, door éénen geest geleid; Hetzelfde juk getorst; denzelfden ftryd geftreden.

Daarom is 't u tot vreugd, wanneer uw medgezel In zynen pligt getrouw, en wakend wordt bevonden;

Ja 'k zie hoe ge u verblydt, wanneer, op Gods bevel, Een engel tot myn hulp of troost wordt afgezonden.

Gy vraagt, dunkt me, aan dien geest, wanneer hy wederkeert, Naar myn geloove en ftryd; naar rampen, die my drukken:

Hoe ftreeltu dit berigt: „ Hy wordt van God geleerd; „ Uw beider Koning doet hem alles wel gelukken".

En waarom zoudt ge ook niet om 't heil van uw geflagi; Aanhoudend fmeeken, en ons kroost tot Jefus brengen ;

Het kroost, dat uwe zorg gewaar werd dag en nagt; Ja!... Jefus kan van U zulk bidden wel gehengen.

' Sommigen fchynen in het denkbeeld gevallen te zyn dat de Digter hier harsfenfehimmen voor waarheid heeft aangenomen; dat eene verhitte verbeelding hem alles waar deed voorkomen, wat hem ten dien tyde niet onaangenaam'was. — In het Voorberigt, waarvan wy gefproken hebben , wordt dat vermoeden tegengegaan, en tevens vindt men in het zelve de gronden aangewezen, op welken de Heer van Alphen oordeelt dat zaligen, uit de herinnering der onderlinge verkeering met hunne vrienden op deze aarde, weten aan welke gebreken en zwakheden dezelven-onderhevig zyn; dat P 5 zy

Sluiten