Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 AtJG. HERM. NIEMEIJER,

al te veel te ftade komen, uit den weg te ruimen. Hierin is hy ook uitmuntend gedaagd ; maar ten dien einde was het noodig fomtyds vry lang dil te liaan op byzonderheden, welke, indien hy zyn Boek alleen voor geoeffenden gefchikt hadde, zekerlyk flegtsmet een enkel woord waren aangeroerd, of geheel met ftilzwygen voorbygegaan.

Eer wy eindigen kunnen wy niet nalaten nog eene aanmerking, welke by den Heer Niemeijer vrugteloos zal gezogt worden, by te brengen. Onder de reden, met welke men de hooge oudheid van het Boek van Job heeft tegengefproken, is de bedenking dat men den Satan hier ook vindt ingevoerd, daar men duidelyk genoeg kan bewyzen dat dit kwade wezen den Ifradicten niet zeer lang voor AftBabylonifche gevangenis maar weinig of niet is bekend geweest. (*) — Dochonzes oordeels verfchaft dit alleen geen gronds genoeg om te (tellen dat dit werk oorfpronklyk eerst na dien tyd gefchreven is. Want de geleerde A. Schultens heeft, naar onze gedagten, met regt geoordeeld, dat de Inleiding, of het Eerde en Tweede Hoofdduk, waar alleen van den Satan gefproken wordt , zoo wel als het Befluit, in de elf laatde verzen des twee-en - veertigden Hoofddeels begrepen, 'er door eene latere hand is bygevoegd (f). En, op» dien grond zou men ook

mis-

(*) Wauburton dl Godlyke zending van Mozss, D. v. Bladz. 134, enz. (t> Ojmment. in Jobum. Tom. I. Praef.

Sluiten