Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 497 )

Beklaagde (wat de exorbitantie van de kosten der Crimineele procedures van de Heeren Officieren van den Lande in het algemeen aangaat) bij eene 35 Jaarige bevinding gezien heeft, dat men daar in eve min redres kan bekomen als tege de verregaandfte abuifen, onbillijkfte aanmaatigingen van de willekeuiigfte en inqujfitoirfte handelingen en veroorlovingen, welke tege do notoirfte Rechten en Gerechtigheeden van 't Volk, onder den naam en titel der uitvoering van de flijl en form van procedeeren, in 't algemeen plaats hebben, en dat, om dezelve wegteneemen en te redresfeeren (hoe zeer men van de noodzaakelijkheid daar van overtuigd is) men het, reeds omtrent Twee Honderd Jaaren lang, alleen bij het voorneemen heeft gelaate, hec dierhalve verloore arbeid zoude zijn , om in deze tijdsomftandigheeden op het excesjïve van de Crimineele kosten uitteweiden.

818. Tot hier toe zoude men 't daar voor kunne houden, dat de Sententie ten principale disponeerde,

Maar als men het flot van dezelve inziet, dan móet het tegendeel daar uit opgemaakt worden,

819. Want daar bij is gefteld:

„ Alles onvermindert zodanige verdere Lyfftrqfe, ïn„ dien hij Gedaagde Defaillant in handen der Justitie zal „ geraaken; als ter caufe van het voorfchreve Crimen beven. „ den zal worden te behoren."

820. En dus blijkt uit dit alles onvermindert enz:, dat het Gerecht over de Hoofdfirafe, weike het p%k

Ji pale

Sluiten