is toegevoegd aan uw favorieten.

Numa Pompilius, tweede koning van Rome.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Koning van Rome. 97

roemen: Marfen, ik heb geene voorzaaten. Maar deeze leeuwenhuid , waarmede gy my omhangen ziet, heeft den grooten Alcides bedekt, en deeze knods velde de hydra van Lorna; ziet daar myne brieven van adeldom: myn moed en myne kragt, ziet daar myne regten om de proef te onderneemcn. De Romeinen zullen over den eerften, en gy, Marfen,over de laatfte oordeelen.

Zoo fprak de grootmoedige Leo en het geheel heir doet een vreugde-galm hooren. Men beflist met het lot welken rang de vyf mededingers zullen houden. De naam van Pentheus is de eerfte , de tweede die van Aftor ; hem volgt Liger , naa deezen koomt Aulon en Leo moet de laatfte zyn.

De trompetten waarfchuuwen: de dappere Pentheus vat de ketenen fchudthaar met kragt; maar de ftam van den populier blyft onbeweeglyk , en zyne kruin wordt naauwlyks bewoogen. Pentheus, verontwaardigd, put zig uit in vergeeffche poogingen : met zweet overdekt en vol fpyt laat hy de keten los en gaat zig onder zyne bende verbergen.

Astor , de bcminlyke Astor nadert; en de brandende begeerte om het bevel te voeren doet hem vergeeten zynen meester, Apollo , G aan-