is toegevoegd aan uw favorieten.

Numa Pompilius, tweede koning van Rome.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede Koning van Rome. 23 ï

te feheen aantewasfen zoo dra ik my op dezelfde plaats bevond, alwaar ik de fchoone amazone gezien bad. Ik klim af naar den oever van den fcroom; ik zoek de plaats daar ik baaigered had; ik fchep behaagen in op dezelfde graszooden te gaan zitten waarop ik baar bezwymd had nedergelegd. Ik zugt, ik ontroer, ik zie rondom ; en die bergen, die waterval, dat fchoon fehouwfpel dat my voorheen verrukte, kan myn gezigt niet eens tot zig trekken. Ik vind die rotfen woest, die eenzaamheid koomt my afgryzelyk voor; ik ftel geen belang meer in myne kudde, myn fluit verveelt my, ik vergeet myne fpiets; en egter kan ik die plaats niet verlaaten, die myne droefgeestigheid dierbaar geworden is.

By myne. moeder terug gekoomen gevoel ik niet meer dien zagten vrede, welken ik by haar altoos ondervond. De uurcn, die ik in haare hut doorbreng, vallen my lang; ik beantwoord naauwlyks haare vraagcn ; ik gebruik duizend omwegen om haar van de onbekende te doen fpreeken; ik zelf durf niet van haar reppen : die keten, welke Myrtale aan haaren hals draagt, trekt onophoudlyk myne oogen tot zig; ik omhels myne moeder meermaalen om gelegenheid te hebben dien keten te kusfen, P 4 Reed§