Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J3ö vierde redev. van marcus tullius cicero,

[geen van dezen] wordt voor uwe geftrenge Rechtbank gebragt: Die zijn gevangen, welken, om de Stad in vlammen te zetten, om U allen te vermoorden , om catilina in te halen, te Rome gebleven zijn. Hunne brieven, zegels, handfchriften, en ook hun aller bekentenis, zijn in uwe magt: —. de Allobrogers worden aangezocht: — de flaven worden opgeruid: — catilina wordt ontboden: — 'er is zodanig een plan beraamd, dat allen moeten omgebragt, en niemand overgelaten worden, zelfs niet om den naam van het Gemenebest te bewenen, en te fchreiën om den val van zulk een uitgeftrekt Gebied. Dit is door getuigen aangegeven; de befchuldigden hebben het bekend; gij hebt 'er reeds meermalen over gevonnist : voor eerst, toen gij mij ftellig bedankt , en befloten hebt, dat de Samenzwering van fnoodaarts door mijn' moed en ijver ontdekt is; vervolgens, toen gij publius lentulus gedwongen hebt, om zijn Ambt van Pretor neder te leggen; verder, toen gij hem, en de overigen, die voor U gebragt zijn, naar de gevangenis hebt laten voeren; en voornalijk, toen gij op mijn' naam een dankfeest hebt vastgefteld, welke eer voor mij, aan iemand, die niet te veld geweest was , gefchonken is: — eindelijk , toen gij gisteren aan de Gezanten der Allo. brogers, en aan titus volturcius de heer, ïijklte beloningen gegeven hebt. Dit alles is van dien aart, dat zij, die op uw befluit naar de gevangenis gebragt zijn, zonder enige aarzeling door U Veroordeeld fchijnen te zijn. Maar ik heb begonnen, Raadsheren! U de zaak

voor

Sluiten