Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vier-en-veertigste'Brief. 69

geen Mannen om ons zagen. Den eerften Staatsdienaar zat aan het einde van de tafel, met de benen kruifelings onder zig op de wyze der Oofterlingen, zyne Vrouw diende gelyk de overigen. Men had 'er eenige agter ons die een vuurroer op de fchouders hadden; anderen, waaren met een piek gewapent, een andere hielt een rotting van den Koning vaft , die zwart verlakt, en, met een zilvere knop verfiert was. Deze Vorft heeft, zonder 'er vyf honderd byzitten onder te begrypen, die alleen tot zyne vermaken gefchikt zyn, agt honderd van deze Vrouwen om het Paleis te bedienen. De Zaal in welke wy aaten, was 'er mede vervult; en men zou 'er tot twee honderd hebben konnen tellen die in beweging,en om ons bezig waaren. Zy waaren op dezelve wys gekleet als ik u gezegt heb dat de Vrouwen van Bantam gewoonlyk zyn. De Koning had dezen dag een violette muts op van ontrent vyf duimen diepte, van welke den rand wit en omtrent een duim breed was; zyn kamizool was op de Turkfche wys gemaakt, zynen gordel was mede violet, waar van de eindens vooraf hingen, zyn benen waaren naakt, en hy had rode muilen op de wyze der Hollanders aan.

Naauwlyk hadden wy de helft van demaaltyd voleindigt, of de Koningin vertoonde zig, en zette zig nevens den Koning neder; zy was in den bloei van haar leven, fchoon, welgemaakt, en had een Vorftelyke gedaante, die van duizend -bevalligheden en zagte en vriendelyke E 3 han-

Sluiten