Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Honderd en Twaelfde Brief. 53

91 wen zijn vrij handig, en generen zich met „ het fpinncn van osfenwol, welke zij fijner „ maken dan die van onze fchapen. Somtijds „ zou men ze zelf voor zijde aenzien Zij „ bereiden 'er ftoffen van , welke zij met 3, verfchillende kleuren verwen, dezelven „ gebruikende tot bovenkleeden, die zij met 35 garen van reebokken zenuwen naeien. De ,, manier, waer op zij het zelve maken, is ,, zeer eenvouwig: als de zenuwen van het ,, vleesch wel ontbloot zijn, hangen zij die ,, eenige dagen in de zon , en laten ze volko,, men droogen; waer na zij dezelven klop. ,, pen, en 'ergemakkelijk een garen, al zoo ,, wit en fijn , en veel fterker dan dat van Mcchelen, uit trekken. ,, Toen ik in het dorp kwam, vond ik het in de uiterfte verwoesting. Een Fransman had 'er de kinderpokken gebragt, en het ,, kwaedt had het geheele vlek aengeftoken. ,, Het kerkhof fcheen een bosch van nieuw,, geplante ftaken en palen, waer aen alles, ,, wat tot het gebruik der overledenen ge,, diend had , was opgehangen. Den gan',, fchen nacht hoorde ik fchrciën en nare zuchten uitboezemen. Tot overmaet van ,, droefheit, vernam ik dat, eenigen tijdt te „ voren, fommige wilde Chikachazen zich ,3 in de omliggende ftreken vertoond , en 5, vreemde verwoestingen aengericht hadden. 11 Oerdeel van mijne ontfteltenis en mijn' D 3 fchrik,

Sluiten