is toegevoegd aan uw favorieten.

De nieuwe reisiger; of Beschryving van de oude en nieuwe waerelt.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweehonderd Veertigste Brief. a$3 ftennt hen in alle hunne ondernemingen; en indien men oorlog voert, geleidt hij " zijne verdeeling, en ftrijdt benevens haer. , Niettegenftaende de zorgen , welke hij draegt om ijder zijne woning toetewijzen, " zijn 'er altoos eenige landloopers en- zwer" vers, die in 't geheel geen verblijf hebben.

Zij , die zich in dit geval bevinden, hou' , den zich niet op met aen de huizen-te bede„ len, maer treden onbefchroomd in de hut' ten, zetten zich bij het vuur, en verzoe„ ken hun deel van de gort. Des avonds , winden zij zich in hunne vodden, en gaen „ in een' hoek flapen. Niemand weigert hun " de herbergzaemheid, om dat men weet dat zij niets in de weereld bezitten, en geen " eenig middel hebben, om hun onderhoud „ door den arbeid te winnen.

Gij begrijpt wel dat hier weinig rijke lieden , en de landhoeven van eene midden" mati°e waerde zijn. , Inderdaed is 'er bijna " geenö eenige, die meer dan vijf honderd " ponden * opbrengt: deze inkomst trekt " men nog alleen in nature, dat is, in koorn, " boter, gevogelte, enz; en uit hoofde van " hunne ongemeene armoede, is het gebrui" kelijk dat de heer hun een gedeelte daervan " te rug geeft. Zij hebben ook van hem de H weiden, waerin zij het vee fturen. De , havergort is hunne gewone fpijs, welke zij

» nog

* Livrei.