Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

C A p. II: 23—III: 1-12. al

aan zijne medegezellen daarvan gaf ? | Hij 27 voegde 'er bij : de Sabbat is om der men. fchen wil, maar niet de menfchen om des 28 Sabbats Wil ;j en daarbij iis de Zoon des menfchen ook een Heer des Sabbats. | III.

Hij ging andermaal in de Sijnagoge, in 1 welke een man met eene verdorde hand was,| en zij befpiedden hem, of hij hem % op den Sabbat geneezen zou, om eene befchuldiging tegen hem te hebben, j Hij ge- 3 bood den man met de verdorde hand zig in 't midden te plaatzen , | en zeide tot hen : 4. wat is op den Sabbat geoorloofd ? goed doen , of kwaad doen , het leeven behou-

den,

ding, §• 15.5 zo vond ik mij nog minder gerechtigd» om den zeiven door eene overzetting, welke met des zelfs wootden niet recht overeenkomt, van het vermoeden van een misflag des geheugens te ontheffen.

Daarbij mag ik egter niet verzwijgen , dat deze •woorden in één der oudfte handfchriften geheel ontbieeken.

v. 4. of kwaad doenf • of dooden T~] Wie

een ander geneezen, of helpen kan, en het niet doet, die doet hem kwaad; wie hem in 't leeven behouden kan, en het niet doen wil, die is zijn moordenaar. Ik herinner mij zelf een geneesheer, die een anderen geneesheer, welke zeide, dat hij iemand, die op eene fmertelijke wijze geftorven was, had kunnen redden, als men hem geraadpleegd had, dewijl hij het noodige inftrument bezat, dat anderen ontbrak, antwoordde: dan zijt gij zijn moordenaar. Jefus zag: dezen menfch mogelijk Üegts deezen éénen keer in zijn leeven; zoo hij hem toen niet hielp, wanneer hij hem daartoe zo regiftreekts vertoond wierd, dan was dit nalaaten eene misdaad. Bij Mattheus is reeds aangeB 5 mertït.»

Sluiten