Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 HET EUANG. VAN MARCüS..

hem roepen;| het volk zat in menigte rond- 32 öm om hem; men zeide hem , dat zijne moeder en broeders daar buiten ftonden, en hem zogten;| maar hij antwoorde hun: 33 wie is mijne moeder ? wie zijn mijne broe ders?| Daarop zag hij hen aan, die rond 34 öm hem zaten , en vervolgde : ziet hier mijne moeder en mijne broeders !| want 35 wie Gods wil doet, die is mijn broeder, mijne zuster, en mijne moeder.[

C a p. VI: 1—34.

Redevoeringen en gelijkenis/en

IV.

Hij maakte andermaal aan de zee een 1 begin om het volk te leeren, dóch 'er vergaderden zo veëlen , dat hij in een fchip treeden, en op de zee zittende fpreeken moest; maar al het volk ftond op het.land aan den oever der zee. | Hier leerde hij 2

y • hen

(*) Matth. XIII: 1—53. Luc. VIII: 4—18. rangfchikking hinderde , hebben het veranderd , en uit eerbied Maria vooraan gezet: zij bemerkten niet, dat het ditmaal eene eer was, niet vooraan te (laan.

vs, 32. Jefus weet door een profeetisch opflag van het oog, wat zijne moeder en broeders willen, en waarom zij komen.

vs. 1 andermaal"] Wij zien uit Matth. XI/I: I. dat dit op den zelfden dag gefchied is, waarop de voorafgaande gefchiedenis is voorgevallen. Marcus zegt dit niet zo* duidelijk, en fchijnt de omttandigheid van den tijd niet geweeten te hebben, hoewel hij beide gefchiedenisfen in de zelfde orde verhaalt.

Sluiten