is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe overzetting des Nieuwen Testaments met aanmerkingen voor ongeleerden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tlÖ HET EUANG. VAN JOANNES.

leeven te hebben, en zij is het, die van

mij

Het komt mij in de daad wegens de uitdrukking, gtj gelooft in de zelve het eeuwige leeven te hebben, waarfchijnhjk voor, dat Jefus iets in de Geleerden der Jooden beripst. Indien hij het onderzoeken van den Bijbel eigenlijk had willen beveelen, en daartoe vermaanen, omdat de zelve den weg tot het eeuwige leeven toont, zo zou hij, gelijk het mij toefchijnt, zonder gtj gelooft, of, gij meent, gezegd hebben: onderzoekt de fchrift, want in de zelve hebt gij het eeuwige leeven. Doch het komt op een zeker gehoor aan, het welk niet bij alle Leezers het zelfde is: ieder volge het zijne. Ik heb intusfchen deze aanmerking _ noodig geoordeeld, dewijl van tijd tot tijd dit» EU geioojt, veele Leezers zo is voorgekomen, dat zij de woorden van Jefus volftrekt voor eene berisping van het onderzoeken der fchrift, of ten minflen des O. Testaments hebben willen aanzien.

en zij is het, die van mij getuigt] Wij leeven thans in een tijd, waarin een gedeelte van onze uitleggers der fchrift beweert, dat in het O. Testament volgens den eigenlijken zin van deszelfs woorden niets omtrent Christus ftaat, en dit gevoelen verfpreidt zig ook tot ongeleerde .Leezers. Indien het zelve wettig was, dan begrijp ik in de daad niet, hoe de Christelijke Godsdienst de waare, en Jefus, die nergens beloofd en aan Mofes en de Profeeten onbekend was, de Christus zijn kan. Hij grondde dan zijnen geheelen Godsdienst, en dat hij de Christus zij, op onwettige verklaaringen der fchriften des O. Testaments: dwaalden mogelijk zijne leerlingen in verklaaringen van ettelijke plaatzen omtrent hem, zo zou daarmede de waarleid van den door hen op zijn bevel verkondigden Godsdienst nog niet volftrekt vallen: maar enkel hunne goddelijke ingeeving; doch als de ftigter zelf van dezen Godsdienst, die de Christus, die de zoon Gods Zijn wil, die volgens Cap. III; 34. enkel woorden Gods fpreekt, zig tot een bewijs tegen de Jooden daarop beroept, dat die fchriften van hem getuigen, en zij behelzen geen woord omtrent hem, dan is die

Godfc