Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

txB HET EÜANG. VAN JOANNES

en Maria gekomen, om haar óver haaren broeder te troosten. | Als Martha hoor. 20 de, dat Jefus kwam, ging zij hem te gemoet, doch Maria bleef t'huis.| Martha 21 zeide tot Jefus: Heere! waart gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet geftorven:| maar ook nog ik weet, dat God u 22 alles zal doen verkrijgen, waarom gij hem bidt.| Jefus antwoordde: uw broeder zal 23 opftaan.] Martha zeide: ik weet, dat hij 24 in de opftanding ten jongften dage zal opftaan. | Jefus zeide: ik ben de opftanding 25 en het leeven, die in mij gelooft, zal lee-

ven,

vs. 22.] Zij geeft, zo 't fchijnt, de hoop niet op, dat Jefus haaren broeder ook nu, wanneer hij geftorven is, kan opwekken, waagt het niet, regtftreeks daarom te verzoeken, omdat de zaak groot is, doch laat egter haar verzoek en hoop merken. Zij gelooft, dat hij ook dooden, als hij wil, kan opwekken, zo wel als doodzieken geneezen. 'T geen Jefus vs. 4. aan de beide zusters had laaten antwoorden, kon tot zodanige hoop in de daad aanleiding geeven.

vs. 03. 24,] Het and woord van Jefus is dubbelzinnig ; het kan betekenen: Uw broeder zal, gelijk gij gehoopt hebt, ter [land van den dooden opgewekt ■worden; en dit is wezenlijk de meening van Jefus; maar ook : treur niet, uw broeder is niet voor eeuwig dood, hij zal ten eenigen tijde op/laan, gij zult hem weder hebben. Martha neemt in haar antwoord de woorden in den laatften zin, om Jefus te noodigen, zig duidelijker te verklaaren; dit doet hij egter niet, maar bedekt 'i geen hij doen wil, met eene duisterheid, tot dat het daadelijk gefcbiedt: bij antwoordt algemeene waarheden, maar uit zijn antwoord bemerkt zij toch, dat zij den geenen voor zig heeft, die de oorfprong der opftanding en des leevens is, van wien zij alles verwagten mag.

Sluiten