Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. XII: 37- goi 2gr

vs. 37—50.

Aanmerking van den fchrijver over het bij zo veele wonderen van Jefus bijna onbegrijpelijk ongeloof der Jooden, deszelfs mogelijkheid, en redenen.

Maar als hij zo veele wonderen voor 37 hunne oogen verrigtte, zo geloofden zij toch niet in hem,| opdat vervuld wierd, 38 't geen de Profeet Jefaia voorzegd heeft; Heere! wie gelooft, het geen hij van ons hoort ? en wien valt de arm des Heeren in *toog?| Daarom konden zij niet gelooven,39 want nog op eene andere plaats zegt Jefaia: |

hij

vs. 38. wien valt de arm des Heeren in 't oog?] Wie ziet, wie let op den arm Gods, die alle deze wonderen verrigt? wie laat zig door de zeiven tot geloof in den geenen brengen, die door de zeiven als de dieDstknegt en afgezant van God bevestigd wordt» Deze woorden ftaan Jef. LUI: 1. en zijn eene eigenlijke voorzegging van het ongeloof der Jooden in dien grooten dienstknegt Gods, dien de heidenen aanneeneemen , en in wien zij gelooven zullen, in den Christus.

vs. 39. Daarom konden zij niet gelooven] De voorzegging van Jefaia was niet de reden van het ongeloof der Jooden, maar omgekeerd, Jefaia voorzeide dit, omdat God hun ongeioof vóórzien, als zeker en onvermijdelijk vóórzien had: 't geen door God vóórzien is , kan niet agterblijven, het zal zekerlijk gefchieden, want het is onmogelijk, da' God feile.

want nog op eene andere plaats ze?t felaia] «namelijk Jef. VI: 9. 10. Deze voorzegging ziet niet Hegts op den tijd van Christus, maar op de veele eeu. Wen voortduurende blindheid der Jooden omtrent de

voor-

Sluiten