Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. II.

25

mogeHjk was, dat hij van hem konde gehouden worden,) want David zegt van 25 hem: ik zie den Heer fteeds voor mij, " en hij is aan mijnè rechtehand, dat ik niet bewoogen worde,| daarom verheugt zich 26 mijn hart, en mijne tong juight, ook mijn

lig-

bedervenden, die door de wormen gegeeten wierd t en dien God van deze fmarten bevrijden moest. Ook het volgende, „ daar het niet mogelijk was, dat hij door den dood gehouden wierd," past niet op fmarten, maar op banden des doods.

vs. 25. want David zegt het van hem] Pfalm XVI: 8—11. Dat de XVI Pfalm op Christus ziet kan hier niet beweezen worden: ik zend den Leezer naar de Aanmerkingen over dezen Pfalm zeiven, en den In het Hebreeuwsch ervaarenen Leezer naar het Kritifche Collegium over den XVI. XL en CX Pfalm. Er zijn, na dien tijd, veele nieuwe poogingen gedaan, zoo wel door Jooden als Christenen, «m denzei ven anders dan van Christus en deszelfs opftandmg te verklaaren, die ik voor dertig jaar in dat Kritifche Collegium niet kon onderzoeken; maar men zal niet verwagten, dat ik dit nu hier doe, waar ik nier over de Pfalmen, en alleen voor Ongeleeerden, maar niet voor de zulken fchrijf, die in de Oosterfche taaien kundig zijn. Petrus verklaaring blijft fteeds de eigenaartigfte.

vs. 26. mijne tong] Het is duidelijk, dat ook hier de XVI Pfalm, even gelijk anders gewoonlijk het Oude Testament, volgends de Zeventigen, wordt aangehaald. Dezen hebben nu, waar ik, in mijne overzetting, het edelere deel van mij, dat is de ziel, heb, tong vertaald , ingevolge een Egijptisch en Grieksch denkbeeld, volgends het welk de tong, dia den mensch van de dieren, door de fpraak, onderfcheidt, het edelfte lid van den mensch zijn zal. Jk geloof wel, dat zij hierin dwaalen, alleen een fcbrijver, die den Griekfchen Bijbel aanhaalt, moet zijnen B 5 Lee-

Sluiten