is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe overzetting des Nieuwen Testaments met aanmerkingen voor ongeleerden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. XV: i-35. a^s

Haaf in allen, op alle drie de plaatzen, waar dit Verbod voorkoomt: v». 2o. 29. en Hoofdd. XXI: a«. Eenigen hebben het vermoeden gehad , dat men in plaats van Hoererij, zwijnenvleesch moeat leezen, en men heeft ze.Ts willen voorwenden, dat dit, ten tijde van Keizer Juliaan, dat is, in de Vierde Eeuw in Exemplaaren van het Nieuwe Testament' gedaan heeft, waarbij men zich op zijnen drie en zestienen Brief beroept; maar dit fchijnt een misverftand van den Brief van Juliaan te zijn. Hij fpreekt van den ijver der genen, die niet tot den Heidenfchen Godsdienst bebooren, voor hunnen godloozen Godsdienst, en zegt onder anderen: „ zij leeden liever honger, dm dat zij zwijnenvleesch, of het Verflikte, ja zelfs het Vleesch van Gefneedene — of, gelijk anderen willen, verfcheurde — dieren proefden." Dit zijn nn wel geene Christenen die zeker, in zijnen tijd, zwijnen vleesch aten, maar Jooden. Ik denk ook, dat de uitfpraak der Kerkvergadering hoogst dwaas zou geweest zijn, wanneer zij bevoolen had, zich, uit toegeevendheid voor de Jooden van zwijnenvleesch te onthouden, dat God alleen den Israëllieten verbooden had j en' dezen zeker om zeer goede redenen : Mofêfccfi Recht 5 203. Even zoo goed hadden zij immers alle andere door Mofes voor onrein verklaarde dieren, bij voorbeeld H.iazen, mogen verbieden, en het zou onbegrijpelijk zijn, dat zij alleen zwijnenvleesch verbieden. Deze toevlugt valt dus weg; en wij moeten, indien wij ons van een ftreng, en met de geheele overige leer van het Nieuwe Testament ftrijdig gebod bevrijden willen, hulp by de uitlegging van het woord zoeken, dat wel in de daad, in den Bijbel dikwils, maar nooit bij zuiver Griekfcne Schrijvers, Hoererij beteekent; Doch dit bewaar ,k, tot dat ik aan het woord zelf koom.

Wegens de derde zwaarigheid is het noodig, vooraf te weeten, dat niet alle de aan de eerfte Voorvaderen des menschlijken geflagts gegeevene wetten eeuwig zijn, en hunne laatfle Nikoomelingen verbinden; er kunnen ook t'jdüjke wetten onder hen zijn, welken de toenmaalige omftandighéden vorderden, en die God naderhand weder affohaffen wil. Aan Adam was eerst siieen het Plantenrijk tor voedzel- asngeweezen, Gen.

P 4 I; 30,