Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 BE ÉR1EF VAN PAUL. AAN DE ROM.

den, eerden zij hem niet als öod, en wa* ren niet dankbaar jegens hem} verzonnen

al«

loofden; maar het waareti toch oott flegts eenige weinigen. Cicero, die zeker een zeer fchrander en verlicht man was, fchreef drie Boeken van de Natuur der Goden, na welker doorleezing men , aan het einde niet weet, of er Goden zijn of niet, of Cicero aan dezelven gelooft beeft of niet. En dit is geen Wonder; want 't geen hij Goden noemt, waren omtrent zulke Geesten, als wij Engelen noemen, welker beftaan of niet beftaan men onmogelijk , uit Wijsgeerige beginzelen, beflisfchen kan. Alleen is de vraag flegts Iets te veranderen, en dus te Hellen: is er een Godf wanneer het antwoord zoo gemaklijk zou geweest Zijn. Een vierde Boek, over God, of de Natuur van God, er bij te voegen, dit liet de groote Man na. Hij wist, dat er een Volk was, ja onder het gebied der Romeinen ftond, dat flegts èeiien eenigen onzigtbaaren God, den Schepper der waereld zonder beeld vereerde; de jooden: ja dit Volk was in zijnen tijd, in Romen zelve taamlijk talrijk en aanzienlijk, en maakte ook daar reeds Profelijten. Maar van dezen Godsdienst velt hij in zijne redevoering voor Flaccus Cap. a8, dit zonderling oordeel: Pompejus heeft, daar hij Jerufalem veröverde, niets van de fchatten des Tempels aangeroerd. Ik denk, met uit ■ achting voor de fchatten des Tempels, maar om zich geenen kwaaden naam te maaken. De Jood. fche Godsdtenst voegt niet voor den luister des Romeinj'chen Rijks, Maar ik laat hier zijne eigene woorden volgen : fua ciiique civitatt religio, mostra nobis. Stantibus Hierofolymis paeatisque yudaeis, tarnen istorum religto Jacrorum a fpiendore hujus imperii, gravitate nominis nostri, majorum inftitutis abhorrebat. Zulk een oordeel over dien Godsdienst, die flegts éénen onzigtbaaren God vereerde, en dit zonder beelden, de eenige waarlijk wijsgeerige, kon toch ook eenen Wijsgeer in «Hen mond koomen.

Ook

Sluiten