is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe overzetting des Nieuwen Testaments met aanmerkingen voor ongeleerden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. UU i-IV: i6*. 1*9

waaromtrent zij het zelfde geloof hebben, hartlijk met hun overëenftemmen. De vereenigingen, die daar dopr bewerkt worden, dat zij allen flegts eeneriei gevoelen hebben, zijn onmogelijk, of afschuwelijke flaavernij en geweetensdwang: want offchoon ook:de Leeraars zich in zekere (tukken verëenigden, dan konden toch de Leeken, indien zij geene ge weeten looze flaaven zijn , zich niet tegens hunne overtuiging het gevoelen der zoogenoemde verftandigeren, der Leeraars laaten welgevallen. Maar wat fpreek ik alleen van Leeken ! men onderftelle, dat eenigen der voornaamfte Leeraars onzer kerke, gelijk eertijds de Bisfchoppen, het over zomrrige (lukken eens wierden, zoo zouden het daarom de overige Leeraars niet zijn, welken deze weinigen hunne denkbeelden toch niet kunnen inprenten, maar alleen opdringen: en is dit dan niet weder flaavernij en geweetensdwang? Dan hier koomt nog eene omftandigheid bij, die aanmerking verdient. De Apostelen waren het over de vraagen omtrent de Befnijdenis, de Levietifche Wet, het eeten van Afgodenoffer enz. eens: dezen zijn iets meer dan onze Leeraars zijn kunnen; ja zelfs, wanneer Paulus alleen, een onmiddenlijk Gezant van Jefus Christus, zekere leeringen Rom, XIV. als waar en recht aanneemt, dan kon men, in alle gevallen, naar billijkheid, eisfchen, dat alle Christenen zijne leer als waarheid aanneemen, —naauwlijks begrijp ik, wat een Christen, die he; Euangelie, op de boodfcbap der Apostelen, als godlijk omhelst en erkent, daar tegen zou kunnen inbrengen, — indien nu egter Paulus dit niet vordert, den zwakken gaarne toeftaat, ja beveelt, naar zijn eigen geweeten te handelen, anderen gebiedt, hem te draagen, zich naar zijne zwakheden te fchikken, en hem als broeder lief te hebben, hoe is het dan mogelijk, dat, wanneer thands enkel menschlijke Leeraars, al ware het van zeer veel en groot aanzien en gezag, zich omtrent zekere Gódsdienstesfltukken, die te vooren betwist wierden, verëenigden, alle de overige Leeraars, en de gezamenlijke Leeken, verpligt, of flegts in bun geweeten voor God gerechtigd zouden zijn, juist dat aanteneemen en te gelooven, waar omtrent genen eens geworden zijn? — Eenigheid beftaat in verdraagzaamH 4 heid