Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 5°s )

lyke harten heb leeren kennen: Dat van mietje naameJyk, en van myne echtgenoote; doch ik heb naderhand in 't verfchiet , eenige aanmerkingen daaromtrent gemaakt, en die van anderen met deeze weinige vergeleken. Nu meen ik, dat ik met recht mag zeggen, dat niet één vrouwsperfoon met onverfchilligheid toeluisterd, wanneer men haare fchoonheid pryst. Eene lof rede op haar verftand, heeft op verre na dezelfde uitwerking niet, want veele vrouwen denken, dat het in 2ulk geval alleenlyk gekfcheeren is.

Eene wel opgevoede jonge dochter zoude myne woorden ten minfte geftuit hebben, toen ik in haaren lof, zo al niet buitenfpoorig (want zulks was by eene zo volmaakte fchoonheid bykans onmooglyk) maarevenwel onuitputtelyk was. Mietje liet my in tegendeel alles zeggen, dat ik wilde; zy bloosde, doeg de oogen naar den grond, boog met haar hoofd, keek my fomtyds met een' (waarlyk ornozelen) glimlach aan, wierd onrustig, en zeide eindelyk; „ Gy zyt al te goed Mynheer „ .... het is, geloof ik, myne beurt?" en daarop ver» fchoof zy eene van haare figuuren.

„ Maar by voorbeeld deeze hand;" (terwyl ik deaelve aanvatte) zeg my eens liefde mietje, of 'er wel „ eene fchooner hand kan in de waereld zyn?"

-— Zy lachte zo onnozel als van te vooren:,, Ei Iaat „ die toch los! ik geloof, dat gy my voor den gek „ zoekt te houden."

„ In waarheid niet!" Terwyl ik haare hand duizendmaal kuste.... doch waarom fchryf ik u alle deeze kinderachtige buitenfpoorigheden ?

„ Laa-

Sluiten