Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 508 ;

■ — Zy ging nevens my in 't venfter leggen, en luisterde.

„ Het is reeds zo verre met my gekomen, liefïle „ mietje ! dat ik uw gezelfchap onmooglyk ontbeeren „ kan..."

(Driftig.) „ Welke foort van gezelfchap meent

„ Mynheer?"

„ Ik moet u zien, fpreeken, weldaaden bewyzen."

„ Zien? o ja. Weldaaden bewyzen? myn vader is „ door uwe goedheid reeds gered, en wanneer gy het 3, loterybriefje, dat ik thans in bewaaring heb, mywaar„ lyk uit medelyden fchenkt,dan is deonderfland, wel9, ken ik myn' armen vader gegeven heb, niet alleen ry„ kelyk vergoed, maar ik kan daarenboven van het over„ fchot veele zaaken koopen, die ik noodig heb. Ik „ ben alsdan wel te vrede, want ik behoef niet ryk te „ zyn; die my eens ten huwelyk neemt, zal ook zon„ der twyfel voor hem en my de kost kunnen winnen, „ en kan hy het niet doen, zo zal myne naald my voe„ den. Ik moet derhalven alles weigeren, dat gy my „ misfehien uit edelmoedigheid, nog boven dien

zoud willen fchenken. • Wat het fpreeken

„ aanbetreft? ik antwoord neen! van nu af aan zal zulks

nooit wederom onder vier oogen gefchieden, envoor„ al niet, wanneer Mevrouw uwe moeder afweezend „ is."

—— Ik verdomde wegens de deugd van dit bekoorlyk meisje. „ Wat ben ik daartegen?" zeide myn hart.

Maar

Sluiten