Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 510 )

zei jy zeggen ?— Neen, myn lieve jan elias ! Ik heb waarachtig van myn leven geen zin gehad in preeken, maar nog veel minder in vechten. En toch zei ik het morgen moeten probecren, en misfchien genoodzaakt zyn een yzeren kop zolang te beuken, tot hy leenig word. Hier heb jy het bewys, fwart op wit.

Is de kaerel mal? my uit te daagen tot vechten is dat niet even zoveel als ofhy een priester na middernacht uitdaagt om tegen hem te zuipen ? begryp nu zelf of dat uilskuiken recht wys is.

En wat zal ik nou morgen met die knaap aanvangen : zei ik hem in myn' zak fteeken ? daar zie jy nou, hoe myn (*) Neurenburger my te pas komt. Toen ik de vent voor de eerdemaal zyne kromme fprongen zag maaien, moest ik 'er om lachen, en ik had weinig gedachten, dat ik zelf die grappen nog eens leeren zou, en nog veel minder dat ik my daarvan zou hoeven te bedienen! En evenwel, ik moet "er nou aan! Ja wel! wy zeilen hem bedienen naar zyn' ftaat. Maar toch fchaamik my, dat ik met zo een jongetje in de mat moet. Want als de menfchen het zien; dan zeilen zy waarachtig denken, dat ik dol of dronken ben.

Maar misfchien zal het mannetje, als ik hem eens terdeeg onder de oogen zie zich bedenken, en 'er uitfcheiden. Maar als het jongetje nouw toeprikt? ja dan zei ik hem den rotting over de ribben leggen ! Wat ben ik ook een gek, dat ik my over zo een jongen kan moeijelyk maaken.

Hy

(*) Dit fcbynt zyn fcheijmmeester geweest te zyn.

Sluiten