Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 134 )

men flegts, om my nog eens te zoeken. Buséri klom den Boom op, en riep, dac ik verraaden was, omdat ik haar de ftang ontrukt had.

Ik was vol angst: maar bykans had ik hier gelagchen. Zy riep nog eens: „ als Gy u niet meldt, „ Sopia: dan fchiet ik." Op eenmaal vervloog myn angst; want ik nam oogenblikkelyk het befluic om te fterven , als het daarop aankwam. Een Officier fliet de tweede ftang naar beneden, die my niet raakte; en dan herhaalde hy de bedreiging. Myn Kofak moest, omdat hy groot was dezelfde proeve met de ftang doen. Hy raakte my: maar de mede. lydende iMan riep op zyn Poolsch: , niets, niets!" en nu verwyderden zich al'en,om naar Huis te gaan. Maar welk een zeldzaam verfchynzel! terwyl de ffong van den Kofak dicht over myn' hoofd heen en weer zweefde, trok ik, die toch geloofd had, dat ik zoo gaarne zou willen fterven , het hoofd in de fchouders, uit vrees, dat ik in de flaap van myn hoofd mogt getroffen worden. Hoe was by myn rampfpoed deeze lust om te leeven mogelyk? (*)

Naauwlyks waren zy vertrokken, of ik ondernam om voor den dag te komen , want de Kalmukkin hadt my gedwongen , iets van den Brandewyn te drinken , die my een' onverdraaglyken dorst veroorzaakte : hierby kwam een zeer walgelyke warme damp, die zoo veel te dikker in den Boom fcheen opteftygen, hoe koelder het daar buiten wierdt. Ik

weet

Quae lucis mifcris tam dir- cupido?

Sluiten