Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 138 )

VERVOLG.

Wy waren nu in het dichtfte van het Bosch. Ik zag zeer verre achter ons licht. Het waren fakkels! De Man geloofde, dat hy Zoldaaten en een' Vrouwspersoon zag. Hoe dwaas was ik geweest, dat

ik my niet in de wooningen van den Teeröven verborgen had ! Kon ik niet voorzien , dat B u s c h , overtuigd , dat ik niet zeer verre kon geloopen hebben , my in deezen nacht zoeken zou ? My fchoot niets over, dan my thans in het dikfte van het Bosch te verfteeken: myne leidslieden gingen vooruit, om, als ik gelukkig was, my intewachicn; doch ik had vooraf moeite, om deeze goedwillige lieden te overtuigen , dac zy my niet konden redden; want dat wilden zy.

Ik was zoo goed verfchoolen, als men ooit zyn kan.

B u s c u wilde myne leidslieden terftond laaten aanhouden. Zy hadden de tegenwoordigheid van geest, om eeniae ftukken geld , welke ik hun gegeeven had, in een doek te wikkelen en weg te werpen, teffens blusten zy hunne lantaarns1 uit, ontliepen , en verbergden zich, even zoo als ik.

„ Laat die maar loopen," zeide Busch tegen den Officier, „ dat zyn flegts lieden, die vreezen „ geplunderd te zullen worden. Laat de hond maar „ niet uit het oog."

En ,

Sluiten